Dierziekten op school: wat leraren moeten weten

Written by

in

Schooldieren zijn populair in het basisonderwijs. Ze worden ingezet als levend lesmateriaal, als rustpunt voor kinderen met stress, of gewoon omdat een klas het gezellig vindt. Maar wat gebeurt er als zo’n dier ziek wordt, of als het een ziekte overdraagt op een leerling?

Waarom scholen steeds vaker dieren houden

De afgelopen jaren is het aantal scholen met een klaslokaalhuisdier gegroeid. Cavia’s, konijnen, goudvissen, schildpadden en zelfs kippen duiken op in steeds meer lokalen. Onderwijskundigen wijzen op voordelen: kinderen leren verantwoordelijkheid, observeren gedrag en ontwikkelen empathie zonder dat ze dat woord al kennen.

Toch is er weinig systematisch onderzoek naar de risico’s. De GGD geeft scholen nauwelijks concrete richtlijnen over welke diersoorten veilig zijn in een klaslokaal. Dat laat ruimte voor onwetendheid, en die onwetendheid kan gevolgen hebben.

Zoönosen: ziekten die van dier naar mens gaan

Een zoönose is een infectieziekte die van dier op mens overdraagbaar is. Bekende voorbeelden zijn salmonella, campylobacter en psittacose. Minder bekend is dat sommige van deze ziekten ook in een gewoon klaslokaal kunnen opduiken.

Reptielen vormen een bijzonder risico. Schildpadden en hagedissen dragen vaak salmonellabacteriën bij zich, ook als ze er zelf niet ziek van worden. Kinderen die het dier aanraken en daarna hun handen niet wassen, kunnen besmet raken. Jonge kinderen en kinderen met een verzwakt immuunsysteem lopen het meeste gevaar.

Vogels zijn een andere risicogroep. Papegaaien en parkieten kunnen psittacose overbrengen, een bacteriële longinfectie. Volgens het RIVM komen er jaarlijks enkele tientallen meldingen van psittacose binnen in Nederland, maar het werkelijke aantal ligt vermoedelijk hoger omdat de ziekte vaak niet herkend wordt.

Hoe scholen omgaan met zieke dieren

Als een klaslokaalhuisdier ziek wordt, weten de meeste leraren niet precies wat ze moeten doen. Er is geen wettelijke meldplicht voor scholen bij ziekte van een gehouden dier, tenzij het gaat om een dier dat onder de Wet dieren valt en een aanwijsbare besmettelijke dierziekte heeft.

In de praktijk brengen leraren een ziek dier naar de dierenarts of nemen het mee naar huis. Zelden wordt de GGD ingeschakeld. Dat is begrijpelijk, maar het betekent ook dat mogelijke blootstelling van kinderen niet systematisch wordt gevolgd.

Schooldirecties zijn juridisch verantwoordelijk voor de veiligheid op school. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van dieren. Toch ontbreekt het in veel gevallen aan een helder protocol.

Welke dieren zijn relatief veilig in een klaslokaal

Niet alle dieren brengen even grote risico’s met zich mee. Goudvissen en andere vissen in een goed onderhouden aquarium gelden als laag risico. Ze hebben nauwelijks direct contact met kinderen en de kans op zoönotische overdracht is klein.

Knaagdieren zoals cavia’s en hamsters worden veel gebruikt, maar zijn niet zonder risico. Ze kunnen lymfocytaire choriomeningitis (LCM) overbrengen, een virusinfectie die bij gezonde mensen zelden ernstig verloopt maar bij zwangere vrouwen gevaarlijk kan zijn voor de foetus. Dat is relevant als een zwangere lerares in de klas staat.

Konijnen worden over het algemeen als veilig beschouwd, mits ze gezond zijn en regelmatig worden gecontroleerd door een dierenarts. Toch kunnen ook konijnen drager zijn van ringworm, een schimmelinfectie die overdraagbaar is via direct contact.

Wat de wetenschap zegt over dieren in onderwijs

Onderzoek naar de effecten van dieren in het onderwijs richt zich doorgaans op de voordelen. Een meta-analyse uit 2019, gepubliceerd in Frontiers in Psychology, concludeerde dat dierbegeleide interventies in schoolomgevingen de sociale vaardigheden en het emotioneel welzijn van kinderen positief beïnvloeden. De effecten waren het sterkst bij kinderen met autisme of ADHD.

Maar diezelfde studies kijken zelden naar de gezondheidsrisico’s. Er is een opvallend gebrek aan longitudinaal onderzoek naar zoönotische overdracht in schoolomgevingen. Dat maakt het moeilijk om beleid te baseren op bewijs.

Scholen die nadenken over de inrichting van hun lokalen en leeromgevingen, stoten soms op praktische vragen over hygiëne en veiligheid. Zo worden er bij Pelser Groep lokalen ingericht waarbij ook de plaatsing van dierenverblijven en wasgelegenheden ter sprake komt, een detail dat in de praktijk zelden op de agenda staat maar hygiënisch wel relevant is.

Richtlijnen en regelgeving in Nederland

Nederland heeft geen specifieke wetgeving voor schooldieren. De Wet dieren regelt het houden van dieren in het algemeen, maar maakt geen uitzondering voor of aanvulling op schoolsituaties. De Onderwijsinspectie beoordeelt scholen niet op hun dierbeleid.

De GGD kan scholen adviseren, maar doet dat alleen op verzoek. In de praktijk wordt dat verzoek zelden gedaan. Sommige gemeenten hebben eigen richtlijnen, maar die zijn niet bindend en niet overal beschikbaar.

Vergelijk dat met landen als het Verenigd Koninkrijk, waar de Health and Safety Executive (HSE) specifieke richtlijnen heeft gepubliceerd voor het houden van dieren op scholen. Die richtlijnen bevatten onder meer eisen aan hygiëneprotocollen, toezicht door volwassenen en informatie aan ouders. In Nederland bestaat zoiets niet.

Aandachtspunten voor scholen die een dier willen houden

Scholen die overwegen een dier aan te schaffen, kunnen zich op een aantal punten oriënteren voordat ze die stap zetten.

  • Kies een diersoort met een laag zoönotisch risico, zoals vissen of gezonde konijnen, en vermijd reptielen en vogels van de papegaaifamilie.
  • Stel een hygiëneprotocol op: handen wassen na contact, geen eten in de buurt van het dier, en duidelijke regels voor wie het dier mag aanraken.
  • Regel periodieke veterinaire controle. Een jaarlijkse check is een minimum; bij ziekteverschijnselen direct handelen.
  • Informeer ouders schriftelijk over de aanwezigheid van het dier en vraag of er kinderen zijn met een verzwakt immuunsysteem of allergie.
  • Wijs een verantwoordelijke leraar aan die weet wat te doen bij ziekte van het dier of bij een incident met een leerling.
  • Denk na over de vakantieperiodes. Wie zorgt voor het dier? Onverzorgde dieren worden ziek, en zieke dieren vormen bij terugkomst een groter risico.

Veelgestelde vragen over dierziekten op school

Mogen scholen zomaar elk dier houden in een klaslokaal?

Er bestaat in Nederland geen wettelijke lijst van toegestane of verboden schooldieren. Scholen mogen in principe elk dier houden dat legaal te bezitten is. Wel zijn ze verantwoordelijk voor de veiligheid van leerlingen en personeel. Een schooldirectie die een dier houdt zonder enig protocol, kan bij een incident aansprakelijk worden gesteld op grond van de zorgplicht die voortvloeit uit de Arbeidsomstandighedenwet en het burgerlijk recht.

Wat moet een leraar doen als een leerling ziek wordt na contact met een schooldier?

De eerste stap is contact opnemen met de huisarts van het kind en de ouders informeren. De leraar of directie kan ook de GGD inschakelen voor advies. Het is belangrijk om te melden welk dier er op school aanwezig is en wat voor contact het kind ermee heeft gehad. De GGD kan dan beoordelen of nader onderzoek nodig is. Het dier zelf moet ondertussen worden onderzocht door een dierenarts.

Zijn honden in de klas veiliger dan andere dieren?

Honden worden in toenemende mate ingezet in het onderwijs, vaak als therapiehond. Ze brengen andere risico’s met zich mee dan kleine knaagdieren of reptielen. Bijwonden zijn een reëel gevaar, ook bij goed getrainde honden. Daarnaast kunnen honden drager zijn van Capnocytophaga canimorsus, een bacterie die bij mensen met een verzwakt immuunsysteem ernstige infecties kan veroorzaken. Scholen die met therapiehonden werken, doen er goed aan te werken met gecertificeerde begeleiders en de hond regelmatig te laten keuren.